Hallelu-JaH - alle eer aan JaHUaHUSA flag/GB flag
  

De veelzeggende Naam van God (19)

De rijkdom van de Titel אֵל שַׁדַּי - ’El Shaddai

André H. Roosma
27 april 2020

וַיְהִי אַבְרָם בֶּנ־תִּשְׁעִים שָׁנָה וְתֵשַׁע שָׁנִים וַיֵּרָא יְהוָה אֶל־אַבְרָם וַיֹּאמֶר אֵלָיו אֲנִי־אֵל שַׁדַּי הִתְהַלֵּךְ לְפָנַי וֶהְיֵה תָמִים וְאֶתְּנָה בְרִיתִי בֵּינִי וְּבֵינֶךָ וְאַרְבֶּה אֹותְךָ בִּמְאֹד מְאֹד
Toen ’Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen JaHUaH aan ’Abram en zei tot hem: Ik ben ’El Shaddai, wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht, Ik zal Mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken.

Genesis 17: 1-2

וְאֵל שַׁדַּי יְבָרֵךְ אֹתְךָ וְיַפְרְךָ וְיַרְבֶּךָ וְהָיִיתָ לִקְהַל עַמִּים
En ’El Shaddai zegene u, Hij make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, zodat u tot een menigte van volken wordt.

Genesis 28: 3

וַיֹּאמֶר לֹו אֱלֹהִים אֲנִי אֵל שַׁדַּי פְּרֵה וְּרְבֵה גֹּוי וְּקְהַל גֹּויִם יִהְיֶה מִמֶּכָּ וְּמְלָכִים מֵחֲלָצֶיךָ יֵצֵאוְּ
En God zei tot hem: Ik ben ’El Shaddai, wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen.

Genesis 35: 11

Een van de namen of titels die in de grondtekst van de Bijbel voor de God van Isra’el worden gebruikt is אֵל שַׁדַּי - ’El Shaddai. Hierboven de eerste drie Bijbel-passages waarin deze Titel of Naam voorkomt. De afgelopen tijd ben ik me eens wat nader gaan verdiepen in deze Titel. Dit artikel is daarvan de weerslag.

Wat ik altijd had geleerd, was dat אֵל שַׁדַּי - ’El Shaddai het best vertaald kon worden als 'De Almachtige' – de vertaling die de meeste Bijbelvertalers ook inderdaad gebruikt hebben. Dat zou gebaseerd zijn op de vertaling die de vroege Griekse vertaling van het Eerste Testament, de Septuagint, gebruikt, en op de stam van een gerelateerd Hebreeuws werkwoord.
De vertalers van de Septuagint gebruikten echter verschillende Griekse woorden om ’El Shaddai te vertalen. In bovenstaande passages gebruikten ze het Griekse woord παντοκράτωρ - pantokrator. Het panto- hierin betekent zoiets als 'alles', en in krator herkennen we dezelfde stam als in onze woorden 'democratie' e.d. - die staat voor 'regeren'. Op basis hiervan is een vertaling voor ’El Shaddai dan ook: 'Hij Die over alles regeert'. Dat zit wel in de buurt van, maar is wat toch aktiever en meer betrokken dan ons woord 'Almachtige'. Overigens zij vermeld dat in de Griekse grondtekst van het Nieuwe Testament - bijv. in Openbaringen 1:8; 4:8 - het woord dat met Almachtige is vertaald, ook pantokrator is, en dus ook beter vervangen kan worden door 'Hij Die over alles regeert'.
Dan het Hebreeuwse werkwoord dat vaak gerelateerd wordt geacht. Dat is שָׁדַד - shádad, wat staat voor: vernietigen/ verwoesten/ teisteren/ ruïneren, machtig/ gewelddadig zijn, eventueel ook: groot/ zwaar/ stoer zijn. In de context van bovengenoemde teksten kan ik dit niet zo plaatsen. Er zijn andere wezens op wie dit meer van toepassing lijkt, en wier titel beter door kan gaan voor een afgeleide van deze werkwoordstam. Die worden in de Bijbel (Deut.32:17; Psalm 106:37) aangeduid als שֵּׁדִים֙ - shedim, gebruikelijk vertaald als: demonen! God JaHUaH is vooral een scheppende God, niet in de eerste plaats een vernietigende God, dus de tegenstelling van deze uitleg met de God van Isra’el kon haast niet groter zijn...1
Ik zocht dus nog even verder...

De betere woordenboeken verwijzen ook naar het Akkadische2 woord shadu - berg. ’El Shaddai zou dan zoiets betekenen als 'God van de berg(en)'. Inderdaad is God in de Bijbel vaak te vinden op een berg, bijvoorbeeld de Sinaï. Heel vreemd is deze verklaring dus niet, al blijft het zeer de vraag of dit de eerste en voornaamste eigenschap is van JaHUaH, de God van de Bijbel, waarmee Hij Zich aan ’Abraham liet kennen... De context maakt ook dit niet heel aannemelijk...

In mijn grote studie van de oude tekens van het West-Semitische en Paleo-Hebreeuwse schrift3 uit ik het vermoeden dat de oude Hebreeuwse letter shin (toen waarschijnlijk nog shad geheten) waarschijnlijk twee wortels heeft: de ene in de hoorns van de oer-os, die heel vernietigend konden zijn, en de andere in de borsten van een vrouw of de uiers van een vrouwelijk dier - het Bijbels-Hebreeuwse woord שַׁדּ - shad (in sommige andere Semitische talen, zoals het Arabisch, nog: thad). In Hooglied vinden we zo o.a. de volgende tekst:

​צְרֹור הַמֹּר דֹּודִי לִי בֵּין שָׁדַי יָלִין
Mijn geliefde is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten (shádai) overnacht.

Hooglied 1: 13;
merk op dat shádai hier en shaddai als titel voor God alleen van elkaar te onderscheiden zijn in een klein dagesh-teken (een punt in de dalet) en een iets langere eerste á klinker, die joodse geleerden in de middeleeuwen toevoegden als lees-hulp; dus beslist niet in het Paleo-Hebreeuwse origineel van het Eerste Testament!

Het Hebreeuwse woord voor baarmoeder: רַחַם - racham staat tevens voor ontferming/ compassie, omdat de baarmoeder van een gezonde en liefhebbende moeder zo vol van ontferming, bescherming en koestering is jegens de ongeboren baby – zelfs bij schaarste alle voeding naar het kind laat gaan ten koste van de moeder. Zou het kunnen dat het oorspron­kelijke woord voor de moederlijke borst: שַׁדּ - shad, ook overdrachtelijk staat voor de koesterende liefde, voeding en vruchtbaarheid die God JaHUaH rijkelijk aan Zijn kinderen wil schenken? Vergelijk de volgende twee passages:

וְיָנַקְתְּ חֲלֵב גֹּויִם וְשֹׁד מְלָכִים תִּינָקִי וְיָדַעַתְּ כִּי אֲנִי יְהוָה מֹושִׁיעֵךְוְגֹאֲלֵךְ אֲבִיר יַעֲקֹב ...
שִׂמְחוְּ אֶת־יְרוְּשָׁלִַם וְגִילוְּ בָהּ כָּל־אֹהֲבֶיהָ שִׂישׂוְּ אִתָּהּ מָשֹׂושׂ כָּל־הַמִּתְאַבְּלִים עָלֶיהָ לְמַעַן תִּינְקוְּ וְּשְׂבַעְתֶּם מִשֹּׁד תַּנְחֻמֶיהָ לְמַעַן תָּמֹצּוְּוְהִתְעַנַּגְתֶּם מִזִּיז כְּבֹודָהּ כִּי־כֹה אָמַר יְהוָה הִנְנִי נֹטֶה־ אֵלֶיהָ כְּנָהָר שָׁלֹום וְּכְנַחַל שֹׁוטֵף כְּבֹוד גֹּויִם וִינַקְתֶּם עַל־צַד תִּנָּשֵׂאוְּ וְעַל־בִּרְכַּיִם תְּשָׁעֳשָׁעוְּ כְּאִישׁ אֲשֶׁר אִמֹּו תְּנַחֲמֶנּוְּ כֵּן אָנֹכִי אֲנַחֶמְכֶם וְּבִירוְּשָׁלִַם תְּנֻחָמוְּ

En u zult de melk van de volken zuigen, en u zult de borst (shad) van koningen zuigen; en u zult weten, dat Ik JaHUaH ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige van Ja‘aqobh. ...
Verheugt u met Jerushalaïm en juicht over haar, u allen die haar liefhebt. Verblijdt u over haar met blijdschap, u allen die over haar treurt, opdat u zuigt en u laaft aan haar vertroostende borst (shad), opdat u met volle teugen u laaft aan de overvloed van haar glorie. Want zo zegt JaHUaH: zie, Ik doe haar de vrede (shalom) toestromen als een rivier en de glorie van de volken als een overvolle beek, dan zult u zuigen, u zult op de heup gedragen en op de knieën gekoesterd worden. Zoals iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, ja, in Jerushalaim zult u getroost worden.

Jes.60:16; 66:10-13; vgl. ook Jes.55

De betekenis van ’El Shaddai als 'de God Die machtig is om te voeden, in noden te voorzien, je dorst te lessen, vruchtbaar te maken en te verza­digen' zou wel heel goed passen in de context van de hierboven geciteerde passages uit Genesis, en wellicht nóg duidelijker in de context van de volgende passsage:

מֵאֵל אָבִיךָ וְיַעְזְרֶכָּ וְאֵת שַׁדַּי וִיבָרְכֶכָּ בִּרְכֹת שָׁמַיִם מֵעָל בִּרְכֹת תְּהֹום רֹבֶצֶת תָּחַת בִּרְכֹת שָׁדַיִם וָרָחַם
... door de God van je vader, Die je zal helpen, en door ’El Shaddai, Die je zal zegenen met zegeningen uit de hemel van boven (m.n. regen!), met zegeningen uit de watervloed in de diepte (waterbronnen!), met zegeningen van borsten (shadaïm; wellicht ook: geestelijk-emotionele dorstlessing ?) en van baarmoeder (racham; ook: ontferming, tedere liefde).

Genesis 49: 25

Bij de Eufraat in Syrië ligt een berg, deels opgebouwd uit puin van oude steden, die in het Arabisch Tell eth-Thadein heet; deze naam betekent: berg van de twee borsten. Hoogstwaarschijnlijk heette deze berg in de tijd van de Amorieten Shaddai. Shadaïm is in het Hebreeuws 'twee borsten' en shadai 'mijn borsten'. Het is waarschijnlijk dat op de plaats van deze berg ooit ook de Sumerische stad Tuttul lag. Tuttul is Sumerisch voor 'twee borsten'...
Dit verbindt de vorige twee verklaringen met elkaar. Zowel borsten als bergen vormen een verhevenheid tegenover de omgeving. Shaddai zou daarmee ook kunnen staan voor 'De Verhevene'. En wellicht nog meer to the point: rivieren vinden hun oorsprong in de bergen; anders gezegd: via rivieren voorzien bergen de bewoners daar van water, en borsten zorgen voor drinken voor de kleinen. In Shaddai zou dus van oorsprong deze notie kunnen liggen van 'liefdevol voorzien in vocht en daarmee in leven, levenskracht en vruchtbaarheid'.

In Spreuken 5 worden de borsten van een vrouw vergeleken met een bron van levend water, die alleen ter verheuging voor haar echtgenoot is (en voor niemand anders). Hij mag ervan genieten, er voortdurend vreugdedronken van zijn, zegt de Spreuken-dichter zelfs, mede als bewaring tegen overspel of hoererij.
Op eenzelfde wijze wil God ons verzadigen met Zijn levend water.

Joodse rabbijnen hebben in Shaddai wel 'de Algenoegzame' gelezen op basis van het gegeven dat het Hebreeuwse דַּי - dai staat voor 'genoeg'.
De Septuagint vertaalt ’El Shaddai niet altijd met het Griekse pantokrator - Heerser over alles. Soms, zoals in Ruth 1:20-21, met: ὁ ἱκανός - o ikanos, 'Hij, Die genoeg is'. Dit sluit sterk aan bij het voorgaande. Wanneer we vol zijn van de grote liefde van God, en ons ten volle in Hem verheugen, heb­ben we geen behoefte meer aan wat de tegenstander ons wil aanbieden.

Behalve shadad is er volgens het bekende Hebreeuwse woordenboek van Brown, Driver & Briggs / Gesenius (p.995; zie ook dat van Fürst, p.1345) nog een andere Hebreeuwse werkwoordsvorm die in verband gebracht kan worden met de titel Shaddai, en dat is: שָׁדַה - shádah - uitgieten, bevoch­tigen, te drinken geven aan, zogen. Dit komt opvallend wél overeen met het bovenstaande, en past zeer goed in de gegeven Bijbelse contexten (en ook in alle andere, hier nog niet genoemde, zo bleek mij4; het lijkt erop dat deze stam shadah vaak over het hoofd is gezien doordat Strong deze stam niet opgeno­men had in zijn coderingssysteem). Alles bij elkaar vind ik hierin de meest plausibele interpretatie van Shaddai, al sluit ik de andere daarmee niet helemaal uit.
JaHUaH - ’El Shaddai is bij uitstek de God Die vol liefde Zijn zegen als water/regen uitgiet over de Zijnen in de vorm van leven, liefde, vruchtbaarheid, blijdschap, et cetera - ultiem in de vorm van Zijn Geest (vgl. bijv. ook Psalm 36; Psalm 145:15-16 “... U verzadigt met welbehagen al wat leeft”; Jes.55; Joh.1:16; 4:14; 7:37-39; 15 [sappen van de ware Wijnstok!]; en Opb.21:6-8). Wát een wonderlijk-heerlijke God is ’El Shaddai !

Hallelu JaH !


Noten

Bij het bovenstaande moet ik denken aan het lied van Sela,

Bij U is de bron (Psalm 36)
Bij U is de bron van het leven, van het leven.
Van U komt het licht.
Door uw licht, zien wij licht.

Hoog als de hemel is Uw liefde.
Tot aan de wolken reikt Uw trouw.
Uw goedheid is als hoge bergen,
dieper dan de oceaan.

Zo kostbaar is Uw grote liefde.
Wij mogen schuilen dicht bij U.
U lest de dorst met vreugdestromen,
meer dan genoeg, in overvloed.

Tekstbewerking en muziek: Anneke van Dijk-Quist. © 2019 Stichting Sela Music

toegevoegd:
29 mrt. 2021
Dat JaHUaH ’El Shaddai is - de God Die graag Zijn grote liefde en Geest over ons uitgiet, houdt ook in dat Hij mensen zoekt, die graag van Hem willen ontvangen! Wilt u dat? (zie ook: ‘Psalm 22 (II): Wie eten en worden verza­digd?’)
1 Vergelijk wat de Jewish Encyclopedia onder de kop Shaddai and ’Elyon onder meer zegt: „The word Shaddai (שַׁדַּי), which occurs along with El, is ... commonly rendered "the Almighty" (in LXX., sometimes παντοκράτωρ). The Hebrew root "shadad," from which it has been supposed to be derived, means, however, "to overpower," "to treat with violence," "to lay waste." This would give Shaddai the meaning "devastator," or "destroyer," which can hardly be right. It is possible, however, that the original significance was that of "overmastering" or "overpowering strength," and that this meaning persists in the divine name. ...” (nadruk toegevoegd). De afleiding van de oude stam shadah ligt veel meer voor de hand.
2 Akkadisch was de Semitische taal die gesproken werd in Mesopotamië in de tijd dat ’Abraham daar vandaan trok. Als zodanig staat de taal deels aan de basis van de taal van het oude Isra’el: het vroege Bijbels Hebreeuws.
3 Meer informatie over het hier bedoelde oude schrift in: André H. Roosma, ‘De geschre­ven taal van Abraham, Mozes en David – Pictografische wortels en basisnoties in de structuur van het vroeg-Bijbelse schrift.pdf document, Hallelu-JaH! levend werkdocument over het oude Semitische en Paleo-Hebreeuwse schrift, januari 2011 / sept. 2014.
4 Shaddai komt voor in de volgende Bijbelteksten:
Gen.17:1-2 Toen ’Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen JaHUaH aan ’Abram en zei tot hem: Ik ben God, Shaddai, wandel voor Mijn aangezicht, en wees onberispelijk, Ik zal Mijn verbond tussen Mij en u stellen, en u uitermate talrijk maken.
Gen.28:3-4 En God, Shaddai, zegene u, hij make u vruchtbaar en vermenig­vuldige u, zodat u tot een menigte van volken wordt. Hij geve u de zegen van ’Abraham, u en uw nageslacht met u, zodat u het land van uw vreemdelingschap, dat God aan ’Abraham gegeven heeft, in bezit krijgt.
Gen.35:11-12 En God zei tot hem: Ik ben God, Shaddai, wees vruchtbaar en word talrijk, een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. En dit land, dat Ik ’Abraham en Jitschaq gegeven heb, zal Ik u geven, en uw nageslacht zal Ik dit land geven.
Gen.43:14-15 En God, Shaddai, geve u barmhartigheden (rachamim) voor het aangezicht van die man, opdat hij uw andere broeder late gaan, alsook Benjamin. En wat mij aangaat, als ik van kinderen beroofd moet worden, dan worde ik beroofd. Toen namen de mannen dat geschenk en zij namen dubbel geld mee, benevens Benjamin, zij maakten zich reisvaardig, trokken naar Egypte en stonden voor het aangezicht van Joseph.
Gen.48:3-4 En Ja‘aqobh zei tot Joseph: God, Shaddai, is mij verschenen te Luz in het land Kena’an en heeft mij gezegend, en tot mij gezegd: zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermenigvuldigen en u maken tot een menigte van volken, Ik zal dit land aan uw nageslacht geven tot een altoosdurende bezitting.
Gen.49:25-26 Door de God van uw vaders, Die u zal helpen, en Shaddai, Die u zal zegenen met zegeningen van de hemel van boven, met zegeningen van de watervloed in de diepte, met zegeningen van de borsten [shadaïm] en van de moederschoot [racham] [i.e. voeding en ontferming]. De zegeningen van uw vader gaan de zegeningen van mijn voorvaderen te boven, reikende tot het kostelijkste van de eeuwige heuvelen, zij zullen komen op het hoofd van Joseph, op de schedel van de uitverkorene onder zijn broeders.
Ex.6:3-5 Ik ben aan ’Abraham, Jitschaq en Ja‘aqobh verschenen als God Shaddai, maar met Mijn Naam JaHUaH ben Ik hun niet ten volle bekend geweest. Niet alleen heb Ik Mijn verbond met hen opgericht om hun het land Kena‘an te geven, het land van hun vreemdelingschap, waar zij als vreemdelingen vertoefd hebben, maar ook heb Ik de klacht van de Isra’elieten gehoord, die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en Ik heb gedacht aan Mijn verbond.
Num.24:4-5,16 (Bileam:) „… De spreuk van hem, die de woorden van God hoort, die het visioen van Shaddai ziet, terwijl hij neervalt met ontsloten ogen. Hoe goed zijn uw tenten, o Ja‘aqobh, uw woningen, o Isra’el! …” „… De spreuk van hem, die de woorden Gods hoort, en die de wetenschap van de Allerhoogste kent, die het visioen van Shaddai ziet, terwijl hij neervalt met ontsloten ogen...”
Ruth 1:20-21 Maar zij zei tot haar: noemt mij niet No‘omi (mijn genoegen/vreugde), noemt mij Mara (bitterheid), want Shaddai heeft mij veel bitterheid aangedaan. Vol ben ik heengegaan, maar leeg heeft mij JaHUaH doen terugkeren. Waarom zou U mij No‘omi noemen, daar JaHUaH tegen mij heeft getuigd en Shaddai mij kwaad heeft aangedaan?
Job 5:17 (’Eliphaz:) Zie, welzalig de mens, die God kastijdt, versmaad daarom de tucht van Shaddai niet.
Job 6:4 (Job:) Want de pijlen van Shaddai steken in mij, waarvan het gif mijn geest inzuigt, Gods verschrikkingen stellen zich in slagorde tegen mij op.
Job 6:14 (Job:) Wie zijn vriend medelijden onthoudt, die verzaakt het ontzag voor Shaddai.
Job 8:3,5 (Bildad:) Zou God het recht buigen, of zou Shaddai de gerechtigheid buigen? ... Maar indien u God zoekt, en Shaddai om genade smeekt,
Job 11:7 (Sofar:) Kunt u de geheimen van God doorgronden, Shaddai doorgronden ten einde toe?
Job 13:3 (Job:) Maar toch, ik wil tot Shaddai spreken, ik wens mijn zaak te bepleiten bij God.
Job 15:25 (’Eliphaz:) Want hij heeft zijn hand uitgestrekt tegen God en Shaddai getrotseerd,
Job 21:15,20 (Job:) Wat is Shaddai, dat wij Hem zouden dienen, en wat baat het ons, dat wij bij Hem zouden aandringen? ... Zijn eigen ogen moesten zijn verderf aanschouwen, en zelf moest hij drinken van de grimmigheid van Shaddai.
Job 22:3,17,23,25-26 (’Eliphaz:) Geeft het Shaddai voordeel, dat u rechtvaardig bent, of gewin, wanneer u uw weg zuiver houdt? ... Die tot God zeiden: wijk van ons! En: wat kan Shaddai ons maken? ... Wanneer u u tot Shaddai bekeert, zult u gebouwd worden, wanneer u het onrecht uit uw tent verwijdert, ... En Shaddai uw voorraad gouderts en uw zilverschat zal zijn, voorwaar, dan zult u u verlustigen in Shaddai en uw aangezicht opheffen tot God.
Job 23:16 (Job:) Want God heeft mijn hart doen versagen, Shaddai heeft mij verschrikt,
Job 24:1 (Job:) Waarom zijn vanwege Shaddai geen oordeelstijden voorbehouden, en zien zij die Hem kennen, Zijn gerichtsdagen niet?
Job 27:2 (Job in laatste rede:) Zo waar God leeft, Die mij mijn recht onthoudt, en Shaddai, Die mijn ziel met bitterheid heeft vervuld,
Job 27:10-11,13 (Job:) Kan hij zich in Shaddai verlustigen, God aanroepen te allen tijde? Ik zal u onderrichten aangaande de hand van God, wat Shaddai voorheeft, zal ik niet verbergen. ... Dit is van Godswege het deel van de goddeloze mens, het erfdeel van de geweldenaars, dat zij van Shaddai ontvangen:
Job 29:4-5 (Job:) Zoals ik was in de bloeitijd van mijn leven, toen Gods vertrouwelijke omgang [sod ’Eloah] in mijn tent toefde, toen Shaddai nog met mij was, en mijn kinderen rondom mij waren,
Job 31:2 (Job:) Want wat is het deel, door God van omhoog beschikt, het erfdeel, door Shaddai uit de hoge bepaald?
Job 31:35 (Job:) Ach, dat toch iemand naar mij luisterde! Ziehier mijn ondertekening - Shaddai antwoorde mij - ook het stuk, dat mijn tegenpartij heeft geschreven.
Job 32:8; 33:4; 34:10,12; 35:13; 37:23 (’Elihu) Voorwaar, het is de geest in de stervelingen en de adem van Shaddai, die hun inzicht geeft. ... De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van Shaddai doet mij leven. ... Daarom, u verstandige lieden, luistert naar mij: God is verre van goddeloosheid, Shaddai van onrecht. ... Ja waarlijk, God handelt niet onrechtvaardig, Shaddai buigt het recht niet. ... Waarlijk, God hoort niet het ijdel geroep, Shaddai ziet er niet naar om. ... Shaddai, die wij niet begrijpen, is groot van kracht en recht, hij, die groot is in gerechtigheid, buigt haar niet.
Job 39:35/40:2 (JaHUaH Zelf:) Wil de bediller twisten met Shaddai? De aanklager van God antwoorde daarop!
Ps.68:14 Toen Shaddai de koningen uiteendreef, sneeuwde het door haar op de Salmon.
Ps.91:1 Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, vernacht in de schaduw van Shaddai.
Jes.13:6 Jammert, want de dag van JaHUaH is nabij, hij komt als een verwoesting (ke-shod) van Shaddai (een woordspeling).
Ezech.1:24 Wanneer zij gingen, hoorde ik het geruis van hun vleugels als het gebruis van vele wateren, als de stem van Shaddai (Die regen geeft): een zware regen -geluid als van een leger; wanneer zij stilstonden, lieten zij hun vleugels hangen.
Ezech.10:5 Het geruis van de vleugels van de cherubs werd gehoord tot aan de buitenste voorhof, als de stem van God, Shaddai, wanneer Hij spreekt.
Joel 1:15 Wee die dag, want nabij is de dag van JaHUaH, als een verwoesting komt hij van Shaddai (als bij Jes.13:6)
Vgl. ook: Deut.32:17 Zij offerden aan de boze geesten [la- shedim], die geen goden zijn, aan goden, die zij niet hebben gekend, nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren, voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden.
Psalm 106:37 Zij offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten [la- shedim], ook vergoten zij onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en dochters, die zij offerden aan de afgoden van Kena’an, zodat het land door bloedschuld werd ontwijd..
toegevoegd:
7 juli 2020

In Numeri 1:5 is een man met de naam שְׁדֵיאוּר- Shedei’ur - mijn uitgieter (שְׁדֵי- Shedei van shadah) van licht (אוּר- ’ur/’or); oftewel: degene die voor mij licht brengt; zijn vader en moeder zijn blij met hem geweest of hebben gedacht aan ’El Shaddai en hoe Hij hen licht gaf. Sommige woordenboeken relateren het Shedei deel aan de stam sadeh met een sin, wat natuurlijk niet klopt. (De naam komt ook voor in Num.2:10; 7:30,35; 10:18.)

De Engelse Wikipedia heeft ook een artikel over ’El Shaddai.

In de Geïllustreerde Encyclopedie van de Bijbel (Gaalyahu Cornfeld, Ed.; G.B. Van Goor, Den Haag, 1976) kwam ik in de uitleg bij ’El Shaddai de volgende zin tegen die ook enkele van de bovenstaande noties bij elkaar brengt: „In de Hebreeuwse verhalende literatuur, zoals in de Pentateuch en Ruth duidt de term El Sjaddai of Sjaddai meer in ’t bijzonder de kracht aan, die vruchtbaarheid of onvrucht­baar­heid (m.a.w. volledige vernieti­ging) bepaalt. Het lijkt daarom zo te zijn, dat deze benaming werd gegeven aan de god (sic!) van het leven, die leven geeft of onthoudt en die het soms verwoest.”


Reacties

naam: *
e-mail: * (wordt niet openbaar gemaakt)
website: (optioneel)
reactie:
Ik wil graag dat mijn reactie hier wel / niet opgenomen wordt.
* = verplicht veld


 
home  home ,  nieuws index  ,  artikelen index

  
bloemdecoratie 

Bedankt voor uw belangstelling!

bloemdecoratie