Hallelu-JaH - alle eer aan JaHUaH
  

Psalm 119 –
Een prachtig loflied op, en leerdicht over, de Torah
– deel  baitu: tent/huis-bét, en gam: voet/been, stok-gam

André H. Roosma
8 mei 2013

In het vorige deel van deze studie over Psalm 119 – de Torah-Psalm – behandelde ik de eerste strofe van deze mooie Psalm, hier de volgende twee. Opnieuw rechts het Hebreeuwse origineel en links daarnaast mijn Nederlandse verta­ling. In de vertaling heb ik woorden die voor de leesbaarheid toegevoegd zijn, in grijs en iets kleiner ge­zet, commentaar en alternatieve vertalingen grijs en tussen vierkante haken. Zie de Inleiding voor mijn uitleg van enkele belangrijke kern-woorden.

Baitu / bét (huis, tent, ‘in’)baitu: tent/huis \ ב
9Waarmee zal de jongere zijn pad rein houden om het in acht te nemen overeenkomstig Uw woord?בַּמֶּה יְזַכֶּה־נַּעַר אֶת־אָרְחֹו לִשְׁמֹר כִּדְבָרֶֽךָ׃
10Met heel mijn hart heb ik U gezocht, laat mij niet afdwalen van Uw instellingen. בְּכָל־לִבִּי דְרַשְׁתִּיךָ אַל־תַּשְׁגֵּנִי מִמִּצְוֹתֶֽיךָ׃
11In mijn hart heb ik Uw woord geborgen, opdat ik tegen U niet zondig.בְּלִבִּי צָפַנְתִּי אִמְרָתֶךָ לְמַעַן לֹא אֶֽחֱטָא־לָֽךְ׃
12Gezegend [of: Geprezen] bent U, JaHUaH! Onderwijs mij Uw inzettingen.בָּרוּךְ אַתָּה יְהוָה לַמְּדֵנִי חֻקֶּֽיךָ׃
13In mijn taal [of: Met mijn lippen] heb ik verteld al de maatregelen van Uw mond.בִּשְׂפָתַי סִפַּרְתִּי כֹּל מִשְׁפְּטֵי־פִֽיךָ׃
14In de weg van Uw getuigenissen verheug ik mij meer dan over alle rijkdom.בְּדֶרֶךְ עֵדְוֹתֶיךָ שַׂשְׂתִּי כְּעַל כָּל־הֹֽון׃
15In uw aanwijzingen verdiep ik mij, en ik heb oog voor Uw paden. בְּפִקֻּדֶיךָ אָשִׂיחָה וְאַבִּיטָה אֹרְחֹתֶֽיךָ׃
16In Uw inzettingen verheug ik mij; ik vergeet niet Uw woord [of: wat U gezegd hebt].בְּחֻקֹּתֶיךָ אֶֽשְׁתַּעֲשָׁע לֹא אֶשְׁכַּח דְּבָרֶֽךָ׃
Gam / gimel (voet/been, stok; ‘gaan’)gam: voet/been, stok; ondersteuning, transport \ ג
17Doe wel aan Uw knecht, dan zal ik leven en Uw woord in acht nemen.גְּמֹל עַֽל־עַבְדְּךָ אֶֽחְיֶה וְאֶשְׁמְרָה דְבָרֶֽךָ׃
18Neem de bedekking van mijn ogen, en laat mij aanschouwen de wonderen die voortkomen uit Uw Torah.גַּל־עֵינַי וְאַבִּיטָה נִפְלָאֹות מִתֹּורָתֶֽךָ׃
19Een vreemdeling ben ik op aarde, verberg Uw instellingen niet voor mij. גֵּר אָנֹכִי בָאָרֶץ אַל־תַּסְתֵּר מִמֶּנִּי מִצְוֹתֶֽיךָ׃
20Gebroken is mijn ziel vanwege het verlangen naar Uw maatregelen, de hele tijd. גָּרְסָה נַפְשִׁי לְתַאֲבָה אֶֽל־מִשְׁפָּטֶיךָ בְכָל־עֵֽת׃
21U berispt de vervloekte hoogmoedigen, die van Uw instellingen afdwalen. גָּעַרְתָּ זֵדִים אֲרוּרִים הַשֹּׁגִים מִמִּצְוֹתֶֽיךָ׃
22Wentel smaad en verachting van mij af, want op Uw getuigenissen heb ik goed gelet. גַּל מֵֽעָלַי חֶרְפָּה וָבוּז כִּי עֵדֹתֶיךָ נָצָֽרְתִּי׃
23Zelfs toen de zittende vorsten op mij in spraken, heeft Uw knecht Uw inzettingen overdacht.גַּם יָֽשְׁבוּ רִים בִּי נִדְבָּרוּ עַבְדְּךָ יָשִׂיחַ בְּחֻקֶּֽיךָ׃
24Ja, Uw getuigenissen zijn mijn bron van blijdschap, mijn raadslieden.גַּֽם־עֵדֹתֶיךָ שַׁעֲשֻׁעָי אַנְשֵׁי עֲצָתִֽי׃

Psalm 119: 9-24 (ב, ג)

De tweede strofe draait om de vraag: waarin ligt ons geheim als gelovigen? Alle ver­zen beginnen met de Hebreeuwse letter ב - bét. De oude vorm hiervan was een teke­ning van de plattegrond van een oude hut of tent: baitu: tent/huis - Baitu, en staat als voorvoegsel voor ‘in’, en in het algemeen ook voor familie en ‘onderdak zijn’. In deze strofe gaat het onder andere over de vraag hoe we zo bij de heilige God ‘thuis’ kunnen geraken.
Deze strofe begint dan ook met de essentiële vraag: hoe kan een jongere zijn han­del en wandel rein houden? Het antwoord is: door het af te stemmen op Gods woord, dat wil zeggen: op datgene wat God zegt. Dit is niet beperkt tot het geschreven Woord, gezien het Hebreeuwse woordgebruik omvat het ook Gods persoonlijke spre­ken. Dat betekent wel dat we ons hart en onze oren daarvoor open moeten hebben – een thema dat in de volgende verzen en ook verderop (o.a. in vers 18) nader wordt uit­gewerkt. Door met ons hele hart God te zoeken vinden we Hem. En door wat Hij gezegd heeft in ons hart te bewaren, kunnen we het op elk rustig moment overden­ken en kan Hij het gebruiken om ons op elk moment bij te sturen of te bemoedigen. Merk ook de erkenning van afhankelijkheid op, in vers 10. (Net als in de eerste zien we in deze twee strofen weer een intensief gebruik van parallellisme, zoals in de verzen 10 en 11.)

Dit is reden voor de Psalmist om God JaHUaH te eren (vers 12). Realiseren we ons overigens, zoals hij doet, dat we God nodig hebben om ons te onderwijzen, en nemen we daar de tijd voor?
Als we dat doen, hebben we de kans, dat we ook door gaan vertellen wat we gehoord hebben, omdat we er enorm blij van worden (verzen 13, 14, 16 en 24). En we gaan ons er, net als hij, verder in verdiepen en zullen het zeker niet vergeten (verzen 15 en 16b).

In bovenstaande vertaling heb ik enig recht gedaan aan de karakteristieke letters van elke strofe. Voor de tweede strofe is dat de ב / beth - in het oude schrift: baitu: tent/huis die staat voor een tent of huis waar je ‘binnenin’ kunt zijn.
Bij de derde strofe is de notie van de voet en het gaan of dragen die in de ג / gam: voet/been, stok / gimel zit iets minder duide­lijk zichtbaar, al is hij er wel, o.a. in het begrip vreemdeling als iemand die bij ande­ren rond­zwerft in vers 19, in het afdwalen in vers 21, en in lichtere mate in het afwentelen (niet langer hoeven dragen) in vers 22.

Die derde strofe begint wel met een opvallend gimel-woord: gemol - hier vertaald als: doe wel. Dezelfde stam wordt in de Bijbel ook gebruikt voor het spenen van een kind, dat dus in zijn eerste 4 á 5 jaar (ja, toen nog zo lang!) genoeg koestering en voeding aan de moederborst had gehad. Iemand die zo door God gevoed en gekoes­terd is, is in geestelijk opzicht zodanig gegroeid dat hij of zij het leven aan kan en in staat is om in acht te nemen wat God gezegd heeft. Dit resoneert sterk met wat we in de nieuw­testamen­tische brieven lezen over groei naar geestelijke volwassenheid.

Bij vers 18 moet ik onwillekeurig denken aan wat Paulus schrijft in zijn tweede brief aan de gemeente te Korinthe (3: 15): dat er een bedekking over het hart van veel joden ligt, telkens wanneer ze uit de Torah lezen. De blijde verwondering en waar­achtige aanbidding ontbreekt dan ook vaak. Hoe tragisch, als christenen soms de Torah dan alleen door de bedekte ogen van die joden lezen!

De verzen 19 en 20 roepen bij mij de associaties op aan iemand die hevig verliefd is en verlangt naar zijn of haar geliefde. De rijkdom waar God in de Torah over spreekt is zo groot, dat hetgeen deze wereld biedt, daarbij in het niet valt.

In vers 22 zien we dat ook de schrijver van deze Psalm in zijn leven hier op aarde te maken heeft gehad met moeilijkheden in de vorm van smaad en verachting. Die kunnen een mens enorm terneer drukken. Zijn gebed is dan ook dat God die van hem afwentelt.

Het laatste vers van deze derde strofe is zeer hoopvol: de Psalmist ervaart wat God gezegd heeft als een bron van blijdschap. De twee Hebreeuwse woorden die hier samen vertaald zijn met raadslieden, zijn een woord voor raad en een woord voor sterfelijk mens. Ik lees daarin dat de Psalmist wat God gezegd heeft zelfs ervaart als een bron van een soort medemenselijke raad, oftewel, een combinatie van kame­raadschap en goed advies.

Hallelu JaH !


Reacties

naam: *
e-mail: * (wordt niet openbaar gemaakt)
website: (optioneel)
reactie:
Ik wil graag dat mijn reactie hier wel / niet opgenomen wordt.
* = verplicht veld


Vorige artikelen: ‘Psalm 119 – Een prachtig loflied op, en leerdicht over, de Torah – inleiding en uitleg van enkele kernwoorden’ en ‘deel alp: ossekop; eerste, prominente, dierbare - ’aleph’.

Volgende artikel in deze serie: ‘Deel dalt: deur, ingang - dalt en ah: mens met geheven handen en gebogen knieën - áh’.

 
home  home ,  nieuws index  ,  artikelen index

  
bloemdecoratie 

Bedankt voor uw belangstelling!

bloemdecoratie